Medicijnen in drinkwater

Nederlandse samenvatting

De vraag in deze studie was of (afbraakproducten van) geneesmiddelen in Nederlands drinkwater kunnen voorkomen. Verdere vragen waren in welke mate ze zouden kunnen voorkomen en welke milieueffecten te verwachten zijn.

De gepresenteerde informatie is gebaseerd op twee recent verschenen literatuurstudies. Er zijn incidentele metingen waarin farmaca worden aangetoond in oppervlaktewater (in West-Europese landen), waaronder enkele metingen in drinkwater.

Tot op heden wordt in Nederland geen routinematige analyse naar deze verbindingen uitgevoerd. Op basis van een beperkte hoeveelheid ecotoxiciteitsdata voor geneesmiddelen wordt geconcludeerd dat milieueffecten niet uitgesloten kunnen worden. Gezien het diffuse verspreidingspatroon en de verwachte lage milieuconcentraties worden eerder chronische effecten verwacht. Potentiële humane risico's zijn: ontwikkeling van allergiën, genotoxiciteit en de overdracht van resistentiegenen.

Het compartiment grondwater lijkt genegeerd te zijn in voorgaand onderzoek en verdient meer aandacht. Teneinde de ernst van het probleem te verhelderen, zouden gerichte concentratiemetingen in water en grondwater moeten worden uitgevoerd. Het uitvoeren van milieurisicobeoordelingen bij registratie wordt zinvol geacht en ontwikkeling en validatie van blootstellingsmodellen voor veterinaire en humane geneesmiddelen is wenselijk.

Bron: Geneesmiddelen in het milieu. Twee verkennende studies samengevat

RIVM Rapport 734301017

Drinkwater wemelt van de medicijnresten en andere ziekmakende stoffen.

Zie ook deze links:

http://www.reinwater.nl/docs/hormoonverst%20stoffen.pdf

Hormonen in drinkwater

Verswater-Medicijnen in drinkwater

Wat is geopatisch belast water 

Medio 7 april 2003 werd de website www.zero-water.com gelanceerd.  

De website www.zero-water.com is inmiddels door duizenden geïnteresseerden bezocht en is startpunt van vele discussies geweest.

Leidingwaterbedrijven hebben (net als aanvankelijk in de USA) gesteld dat de website onnodige 'bangmakerij' was. Hun standpunt komt er op neer dat het recht om te weten (en de plicht om te informeren) pas ontstaat als bewezen is dat een stof bij de mens een gevaar oplevert.

Voordat het bewijs geleverd is zijn er kennelijk geen mogelijke risico’s bij blootstelling, althans geen waarover de consument geïnformeerd mag respectievelijk moet worden.    

Waardering was er echter ook bij de consument. Waardering dat dit soort informatie voor het eerst openbaar is en verzoeken om het niet bij de regio's te laten. Waardering ook voor onze poging om de risico's in een voor de bezoeker begrijpelijke omgeving te plaatsen.

Na de zero-website voor water zij er ook websites geopend voor voeding www.weetwatjeeet.nl en voor blootstelling aan chemische stoffen in de leefomgeving http://www.benjijgifvrij.nl/

Inmiddels zijn recentere gegevens beschikbaar over de aanwezigheid van stoffen in het leidingwater. Tijd voor een actualisatie dus.  De zero website zal evenwel niet up-to-date worden gemaakt. Ter inspiratie en als voorbeeld voor anderen blijft de site on-line.

Op naar een wet waarbij consumenten in Nederland ook het recht krijgen om pro-actief geïnformeerd worden over de stoffen waaraan zij blootgesteld worden!

SCHOON IMAGO VAN DRINKWATER IS ONTERECHT

Inleiding

Drinkwater in Nederland heeft van oudsher het imago schoon, helder en gezond te zijn. Zo hoort het eigenlijk wel, maar in werkelijkheid hebben de drinkwaterbedrijven de grootste moeite om aan de minimum kwaliteitseisen te voldoen. De toenemende verontreiniging van grond- en oppervlaktewater is daar de voornaamste oorzaak van.

In de Nieuwsbrief van april 1998 werd al verslag gedaan van de verontreiniging van het Drentse drinkwater met de stof dioxaan. Dioxaan komt vrij bij de productie van polyester (PET). De stof werd door AKZO Nobel en Wellman vanaf de zestiger jaren tot en met 1997 geloosd in het oppervlaktewater bij Emmen. Via een sluis kwam het dioxaan in het Oranjekanaal van waaruit het in het grondwater infiltreerde (8). De chemische naam voor dioxaan is 1,4 diethyleendioxide (C4H8O2). De concentraties dioxaan in het Drentse drinkwater zijn tot op heden onder de door het RIVM opgestelde ad hoc norm gebleven. Het gezondheidsrisico is te gering om over te gaan tot zuivering in verhouding tot de extra kosten die dat met zich meebrengt, aldus de Waterleiding Maatschappij Drenthe (WMD).
De WMD blijft wel constant metingen verrichten zowel in het nog ongezuiverde grond- of oppervlaktewater (het ruwe water) als in het afgeleverde drinkwater (het reine water). Hoewel de norm dus niet overschreden wordt betekent het echter wel dat de consument tientallen jaren blootgesteld zal worden aan een stof waarvan het gezondheidsrisico niet duidelijk is.

Contra-expertise door chemiewinkel

Verontruste burgers bij monde van de Stichting Milieu Rondomme (SMR) hebben daarom een contra-expertise laten uitvoeren naar de toxiciteit en de verspreiding van dioxaan in het grondwater. In een samenvattende conclusie in een rapport van zomer 1999 (8) stelt TNO dat de komende 20 tot 30 jaar meetbare, maar wel steeds dalende, hoeveelheden dioxaan in het grondwater zullen worden aangetroffen. Volgens de contra-expertise, die uitgevoerd werd door drs. Karin Ree van de Chemiewinkel Groningen, is er nog een grondwatervracht onderweg van de bron (het Oranjekanaal) naar de waterwinputten in het Bargaresgebied. Dit grondwater zal met een vertraging van enkele jaren aankomen bij de grondwaterputten en zal daar juist stijgende concentraties dioxaan veroorzaken i.p.v. dalende zoals TNO voorspelt.

Gezondheidsrisico van dioxaan

Ook het gezondheidsrisico van dioxaan wordt door de contra-expertise anders beoordeeld. Toen dioxaan in het drinkwater ontdekt werd is het RIVM om een advies gevraagd. Voor een groot aantal stoffen bestaan er onvoldoende toxicologische gegevens die nodig zijn voor een goede risico-evaluatie. Dit bleek ook voor dioxaan het geval te zijn. Afgeleid van de orale richtwaarde heeft het RIVM een ad hoc norm voor drinkwater bepaald op 3 ug (microgram) per liter (6). De gemeten waarden in Drents drinkwater liggen rond 0.5 ug per liter en blijven dus beneden de norm. Opvallend is dat bij de opstelling van de ad hoc drinkwaternorm door het RIVM geen rekening gehouden is met de blootstelling via inhalatie, waardoor de norm mogelijk te soepel gesteld zou kunnen zijn. Dioxaan is een matig vluchtige stof, die bij het douchen kan verdampen, zodat een deel van de blootstelling plaats kan vinden door inhalatie.
 

Dioxaan heeft kankerverwekkende eigenschappen (het is een sterke promotor en een zwakke initiator) die wel aangetoond zijn bij proefdieren maar niet bij mensen. Bij kankerverwekkende stoffen kan er nooit sprake zijn van een veilige norm (drempelwaarde) waaronder geen risico bestaat. De norm betekent in dit geval dat bij een "normale" lange termijn consumptie van drinkwater, met 3 ug dioxaan per liter, een op de miljoen mensen kanker krijgt. Dat betekent per individu een extra kans (risico) van een miljoenste om kanker te krijgen (11).

Over de toxiciteit van de metabolieten die bij afbraak van dioxaan in het lichaam ontstaan bestaat onzekerheid. Ook wordt geen rekening gehouden met combinatiewerking van dioxaan met andere stoffen. Wel is door het RIVM onderzoek gedaan naar de mogelijkheid dat dioxaan met chloor reageert. Bij de waterzuivering met chloorhoudende desinfectiemiddelen zouden daardoor schadelijke chloorkoolwaterstoffen kunnen ontstaan. De gegevens hierover waren echter te beperkt om er conclusies uit te trekken.

Opgemerkt dient te worden dat in het Waterleidingbesluit geen aandacht wordt besteed aan stoffen zoals dioxaan. Het is namelijk geen bestrijdingsmiddel, fenol, PAK en evenmin een gehalogeneerde koolwaterstof (niet zijnde een bestrijdingsmiddel)(6,11,9).

Grond- en oppervlaktewater: de bron voor drinkwater Dioxaan is niet de enige stof die lokale waterverontreiniging veroorzaakt.

In het verleden hebben regelmatig lozingen op het oppervlaktewater plaatsgevonden waardoor de inname van ruw water door pompstations tijdelijk gestopt moest worden. Voorbeelden zijn: de lozing van Bentazon door BASF en de ramp bij Sandoz. Nog recent werd er teveel Diuron (*) aangetroffen in het Maaswater zodat de spaarbekkens van de Biesbosch tijdelijk afgesloten moesten worden. Het Diuron was afkomstig uit het buitenland.

Erger is dat er structureel vele honderden stoffen in het oppervlaktewater worden aangetroffen, vaak in zeer lage concentraties, die er niet in thuishoren, ook niet volgens de waterleidingbedrijven. Dit is het gevolg van diffuse verontreiniging door landbouw, industrie en verkeer. Oppervlaktewateren (rivieren, plassen, meren) worden vooral gevoed door smeltwater uit het buitenland en afstromend water afkomstig van land. Vanwege de moderne rechte waterlopen wordt het water, met verontreiniging en al, zeer snel afgevoerd richting zee. Een klein deel sijpelt langzaam door naar het relatief schone grondwater. Op deze manier verzamelt Nederland, dat eigenlijke grotendeels een estuarium is, alle verontreiniging van het achterland.

Adsorptie aan bodem en zuiveringsfilters

De belangrijkste oorzaak van de vertraagde aankomst van verontreinigingen in het grondwater is dat stoffen zich meer of minder hechten aan bodemdeeltjes (adsorptie). De mate van adsorptie is ten eerste afhankelijk van de bodemsoort.

Aan klei- en humusdeeltjes hechten stoffen zich gemakkelijker dan aan grovere zanddeeltjes. Hierdoor vindt uitspoeling van bijvoorbeeld nitraat en bestrijdingsmiddelen gemakkelijker plaats in zandgrond dan in veenbodem. Ten tweede is adsorptie afhankelijk van de mate van lipofiliteit van de stof. Hoe meer lipofiel een stof is, des te sterker adsorbeert hij aan bodemdeeltjes. Een stof die daarentegen sterk hydrofiel is noemt men 'mobiel'.

Mobiele stoffen passeren ook gemakkelijk de actieve koolfilters van de waterzuivering. De productie van schoon drinkwater zal de komende jaren snel duurder worden. Tot nu toe bestaat het ruwe water voor tweederde deel uit grondwater. Men moet echter steeds meer gebruik maken van oppervlaktewater als grondstof teneinde de grondwatervoorraad te sparen. Hierdoor worden de kosten van onderzoek en (voor-) zuivering veel te hoog. Het VEWIN heeft de ministers van VROM en LNV opgeroepen om maatregelen te nemen(2).

Het Waterleidingbesluit

In het Waterleidingbesluit van 1984 is vastgelegd dat de waterleidingbedrijven een resultaatsverplichting hebben tot het leveren van een goede kwaliteit drinkwater. In Bijlage A van het besluit, dat sinds 1984 niet gewijzigd is, zijn de criteria (parameters) beschreven waaraan de kwaliteit getoetst moet worden.

Deze parameters worden in vier categorieen onderverdeeld: (4,9)

1) In categorie 1 zijn zware metalen, organochloorpesticiden en microbiologische parameters ondergebracht. Hiervoor geldt dat de normen beslist niet overschreden mogen worden. Voor sommige stoffen geldt, bij overschrijding, een meldingsplicht aan de Inspectie Milieuhygiene. Metalen zoals nikkel worden steeds vaker aangetroffen.

De oorzaak is de verzuring van de bodem waardoor de metalen oplossen en uitspoelen. 2) In categorie 2 zijn calcium, magnesium, en waterstofcarbonaat ondergebracht. Deze vormen een essentieel deel van ons voedingspakket en mogen niet geheel uit het drinkwater worden verwijderd. 3) Tot categorie 3 behoren sulfaat, nitraat, nitriet, natrium, fosfaat, ammonium, aluminium, zilver, barium, ijzer, mangaan, minerale olie, vluchtige fenolen en bepaalde oppervlakte actieve stoffen.. Bij overschrijding van de normen kan de minister ontheffing verlenen.

Deze stoffen vormen in principe geen gevaar voor de volksgezondheid. Nederlands drinkwater mag maximaal 50 mg nitraat per liter bevatten. De meeste waterleidingbedrijven streven echter naar 25 mg/l. Mestoverschot en kunstmestgebruik zijn de voornaamste oorzaken van teveel nitraat in grond- en oppervlaktewater. Te veel nitraat in het drinkwater kan gevaarlijk zijn voor baby's (zg. blauwe baby's).


4) In categorie 4 zijn o.a. chloride, gehalogeneerde koolwaterstoffen en koper en zink ondergebracht. Voor deze stoffen gelden de normen niet als redelijkerwijs niet aan de eisen voldaan kan worden. Deze stoffen hebben te maken met desinfectie van het water of met de leidingen, waar het doorstroomt. Zo mogen de concentraties koper en zink 30 resp. 50 x groter worden gedurende het verblijf in de leidingen.

Dioxaan valt, indien het niet gechloreerd wordt tijdens desinfectie, niet onder een van de vier categorieen.

Organische microverontreinigingen in oppervlakte- en drinkwater In een RIWA-rapport uit 1994 worden 947 organische verbindingen genoemd die in de periode 1983-1993 werden aangetroffen in het water van Rijn- en Maasstroomgebied, IJsselmeer en Haringvliet en in het daaruit bereide drinkwater.

Uit dit aantal werden 30 stoffen als prioritair aangemerkt (o.a. atrazine, trichloormethaan, pentachloorfenol etc). Prioritaire stoffen werden geselecteerd op het hebben van carcinogene en/of mutagene eigenschappen, en de mate van voorkomen in zowel oppervlaktewater als het daaruit bereide drinkwater in concentraties van meer dan 0.1 ug per liter.
In een vervolgonderzoek (periodieke bijstelling in 1998) (1) wordt vermeld dat er van 1993 tot 1997 een aantal van 232 nieuwe verbindingen werden toegevoegd aan de al bestaande lijst waardoor het totaal aantal stoffen op 1179 kwam. Van de 232 nieuw aangetroffen stoffen worden er 12 als verdacht carcinogeen of verdacht mutageen aangemerkt (o.a. aldrin, aldicarb, acrylonitril). Hiervan zijn er 9 niet in het drinkwater gemeten. Van deze stoffen is dus niet bekend of ze de drinkwaterzuivering wel of niet kunnen passeren. Dit twaalftal behoort vooralsnog niet tot de prioritaire stoffen.

Opvallend is dat van het grootste deel van de 1179 stoffen niet de concentraties in het drinkwater zijn gemeten, zodat mogelijk nog veel meer dan 30 stoffen als prioritair aangemerkt zouden kunnen worden. In ieder geval blijft hierdoor de werkelijke blootstelling voor zeker tweederde deel van de lijst van 1179 stoffen onbekend. De RIWA onderneemt acties om de aanwezigheid van de prioritaire stoffen terug te dringen en om de risico's voor de consument duidelijk te krijgen. Welke acties dat zijn wordt helaas niet vermeld in het rapport. Overigens kunnen ook stoffen die onder de detectiegrens van 0.1 ug per liter liggen schadelijk zijn en deze zouden dan ook als prioritair beschouwd kunnen worden (1).

Stoffen zonder toxiciteitsgegevens

Voor ruim eenderde deel van de 1179 stoffen zijn geen toxiciteitsgegevens bekend en voor deze stoffen heeft het RIWA een speciaal project ontwikkeld om inzicht te krijgen in de toxische eigenschappen. Uit dit deel zijn stoffen geselecteerd met een hoge mobiliteit, die meer dan een keer zijn gevonden in een concentratie van > 0.1 ug per liter in het oppervlaktewater en voorkomen of gemeten zijn in drinkwater. De mobiliteit van een stof is omgekeerd evenredig met het vermogen om aan bodemdeeltjes te hechten (adsorptie). Hoe groter de mobiliteit des te gemakkelijker passeert de stof de actieve koolfilters van de zuiveringsinstallaties. Uiteindelijk komen op grond van bovengenoemde criteria slechts vier stoffen in aanmerking voor nader toxicologisch onderzoek. (2)

Bestrijdingsmiddelen

Pesticiden in het drinkwater vormen een nationaal probleem voor de drinkwaterproducenten. In het Waterleidingbesluit is voor afzonderlijke bestrijdingsmiddelen een norm van 0.1 ug per liter drinkwater vastgesteld. Het totaal aan pesticiden mag niet meer dan 0.5 ug per liter bedragen. Deze waarden gelden ook voor de internationale regelingen van de waterleidingwet (1999). Voor aldrin, dieldrin, heptachloor en heptachloorepoxide wordt een uitzondering gemaakt. Zij mogen slechts voorkomen in een concentratie van 0,030 ug per liter. De bovengenoemde normen van 0.1 en 0.5 ug per liter zijn geen gezondheidskundige maar functiegerichte normen. In dit geval zijn de grenswaarden gelijkgesteld aan de detectielimiet, dit is de grens tot waar ze gemeten kunnen worden.

Vele tientallen pesticiden hebben een Maximaal Toelaatbaar Risiconiveau (MTR*) dat kleiner is dan de detectielimiet (11) en komen mogelijk in het drinkwater terecht zonder dat ze gemeten kunnen worden. Dit is zeer discutabel als men bedenkt dat hormoonverstorende stoffen, waartoe veel organochloorpesticiden behoren, al bij zeer geringe concentraties van enkele nanogrammen per liter werkzaam zijn (0.1 ug = 100 nanogram). Volgens het VEWIN voldoet Nederland niet aan de Europese Richtlijn, die landen verplicht om de toelating van pesticiden te toetsen aan de risico's voor drinkwaterwinning (4,11,9).

Hormoonverstorende stoffen

Hormoonontregelaars zijn stoffen die de balans en werking van de geslachtshormonen en/of de schildklierhormonen verstoren. Het zijn lichaamsvreemde stoffen die de werking van natuurlijke oestrogenen kunnen versterken of juist afremmen en worden ook wel xeno-oestrogenen genoemd. Ze hebben een negatieve invloed op de humane en dierlijke voortplanting en op de ontwikkeling en groei van de voortplantingsorganen en zijn waarschijnlijk ook betrokken bij borst- en testiskanker. Door het optreden van interactie-effecten ( mengseltoxiciteit), bij zeer lage concentraties, verschilt de werking van hormoonontregelaars wezenlijk met die van stoffen met een andere toxische werking. Het exacte biologische werkingsmechanisme is echter niet bekend. In een rapport van de RIWA (3) worden 81 stoffen met een potentiele xeno-oestrogene werking genoemd. Ze worden gevonden onder verschillende categorien toxische stoffen:

- 13 natuurlijke- en synthetische hormonen (oestradiol).
- 34 bestrijdingsmiddelen waaronder atrazine en aldicarb
- 6 alkylfenolen (nonylfenol, bisfenol A) en alkylfenolethoxylaten (reinigingsmiddelen)

- 5 ftalaten (weekmakers in plastics)
- 1 dioxinen (vrijkomend bij afvalverbranding)
- 5 fyto-oestrogenen (door planten gevormd, weinig oestrogene potentie)
- 18 overige xeno-oestrogenen (een scala van stoffen zoals oplosmiddelen, styreen, medicijnen etc.)
Concentraties van hormonen, dioxinen en alkylfenolethoxylaten in drinkwater zijn onbekend omdat niet getracht is ze te analyseren of omdat er geen analysemethode beschikbaar is. De hormonen zijn goed verwijderbaar bij bodempassage en door geavanceerde drinkwaterzuivering (actieve koolfilters). Bestrijdingsmiddelen en ftalaten zijn aangetoond in drinkwater, meestal in lage concentraties. (3)

Samengevat:

- In de periode 1983-1997 werden 1179 organische stoffen aangetroffen in oppervlaktewater van Rijn- en Maasstroomgebied, IJsselmeer en Haringvliet en deels in het daaruit bereide drinkwater. Voor tweederde deel van de 1179 in het oppervlaktewater aangetoonde stoffen is uberhaupt niet onderzocht of ze ook in het drinkwater voorkomen.

- Van eenderde deel van de 1179 stoffen bestaan geen toxicologische gegevens. Vier stoffen, die o.a. worden aangetroffen in het reine water, worden nader onderzocht.

- Minimaal 42 van de 1179 stoffen zijn (verdacht) mutageen/carcinogeen waarvan er 30 (prioritaire stoffen) ook in drinkwater voorkomen.
- Stoffen die in zeer lage concentraties onder de detectielimiet voorkomen zijn weliswaar wettelijk toegestaan maar kunnen toch schadelijk zijn als ze een hormoonverstorende werking hebben.

Burgerparticipatie: een schone taak voor de waterleidingbedrijven Om de bronnen te beschermen voeren de waterleidingbedrijven intensief overleg met regionale overheden en de landbouw en voeren zelfs procedures tegen overtreders van de milieuwetgeving. De invloed van de drinkwaterproducenten op de verontreiniging van de bronnen is echter beperkt. Maar gezien de nauwe relatie van drinkwaterwinning met de kwaliteit van het milieu en met de gezondheid van de consument, ligt hier een kans voor de waterleidingbedrijven om het belang van die relatie bij het grote publiek kenbaar te maken. Met andere woorden ze zouden meer aan de weg moeten timmeren.
Jose Hopper, landelijk coordinator van het Meldpuntennetwerk, zegt hierover: "Burgerparticipatie is tegenwoordig een belangrijk punt van politieke aandacht. Zeker als het om drinkwaterveiligheid gaat zouden burgers betrokken moeten zijn bij het overleg, bij controle van meetgegevens en bij verder onderzoek. In het geval van de (lokale) dioxaan verontreiniging zou er een begeleidingscommissie kunnen worden geinstalleerd waarin onder andere de GGD, de Drentse Milieufederatie, de Chemiewinkel Groningen, Milieu Rondomme, het Meldpuntennetwerk en een huisarts van het regionaal Huisartsengenootschap, uitgenodigd zijn. Een dergelijke commissie is aan de ene kant in staat om eventuele bezorgdheid van de achterban weg te nemen, maar ook om mee te denken als onverhoopt, en ondanks maatregelen, de gevonden concentraties dioxaan weer zouden toenemen. In het kader van openheid en burgerparticipatie zou de WMD hier een modelvoorbeeld kunnen geven, dat door andere bedrijven kan worden overgenomen."

Wim de Mol en Miep Verheuvel

(*) Begrippen en afkortingen

- oraal = via het maag-darmkanaal

- inhalatoir = via de luchtwegen

- Bentazon, Atrazine en Diuron zijn onkruidbestrijdingsmiddelen
- RIWA: de samenwerkende Rijn- en Maas-Waterleidingbedrijven
- VEWIN: Vereniging van Waterleidingbedrijven in Nederland
- MTR = Maximaal Toelaatbaar Risiconiveau: de wetenschappelijk afgeleide norm voor niet-carcinogene stoffen die aangeeft bij welke concentratie in het milieu geen nadelig effect voor zowel de mens als voor ecosystemen te verwachten is. Voor carcinogene stoffen geldt dat voor de mens een kans van maximaal een miljoenste op sterfte berekend kan worden (11, p10).

Literatuur:
(1) RIWA, augustus 1998, "Inventarisatie en toxicologische evaluatie van organische microverontreinigingen in het water van Rijn- en Maasstroomgebied. Periodieke bijstelling."
(2) RIWA, juli 1998, "Aandachtstoffen voor nader toxicologisch onderzoek". (3) RIWA, juli 1998, "Xeno-oestrogenen en drinkwater(bronnen)" (4) A.L. van der Priem, Chemiewinkel, RU Utrecht april 1989, "Schoon kraanwater een troebele zaak"
(5) Inspectie Milieuhygiene, "Informatieblad Drinkwater" nummer 6, september 1996
(6) Ad Hoc Advies RIVM (CSR) betreffende 1,4 dioxaan, 7-10-1997 (7) Nieuwsbrieven Gezondheid en Milieu april 1998 en november 1999 (8) Samenvatting TNO rapport NITG 99-114-B: "De herkomst van 1,4 dioxaan bij drinkwaterwinning Noordbargares te Emmen"
(9) Waterleidingwet (laatste aanvulling 7-'99)
(10) Statistiek Wateronderzoek 1994, VEWIN
(11) Integrale Normstelling Stoffen, Interdepartementale werkgroep INS, Milieukwaliteitsnormen bodem, water, lucht, december 1997

Nadere informatie:

- Stichting Milieu Rondomme, Holtackers 20, 7824 LB Emmen, telefoon 0591-624233 / 302307

- Meldpuntbeheerder Drenthe: Tiny Kuper, telefoon 0591-301692

Via deze link kun je zien wat deze stoffen doen in je lichaam

Persbericht 29 september 2003

Drinkwaterbedrijven eisen sluiting website

Pleidooi voor openheid en transparantie

Den Haag, 29 sept 2003 - De website www.zero-water.com  met informatie over het Nederlandse leidingwater moet gesloten worden. In ieder geval moet de tekst op 98 plaatsen worden geschrapt of grondig worden aangepast. Dit vordert de Vereniging van Waterleidingbedrijven in Nederland (VEWIN) in kort geding bij de Rechtbank Den Haag tegen Holland Waterfiltration Systems BV (HWS).

VEWIN eist dat HWS bepaalde informatie verwijdert omdat deze de indruk zou wekken dat er gezondheidsrisico’s kleven aan het drinken van leidingwater. Bovendien zou HWS ten onrechte beweren dat er ter zake van het Nederlandse leidingwater een gebrek aan openbaarheid van informatie en/of voorlichting van de consument zou zijn.

Geen onjuistheden volgens VEWIN

De beheerder van de website, HWS, stelt daarentegen dat de gegevens op haar website objectief en correct zijn. Zij zijn afkomstig van wetenschappelijke en gouvernementele organisaties waaronder nota bene die van drinkwaterbedrijven zelf. Van de 98 verwijten van VEWIN blijven er wel geteld drie of vier over, waar nog bij enkele daarvan er sprake is van semantiek. Tijdens het pleidooi geeft VEWIN toe dat er eigenlijk geen onjuistheden op de Zero-website staan. Daarmee staat vast dat ook de paragrafen ‘Wat zit er in mijn leidingwater’ en ‘Water & gezondheidseffecten’ correcte informatie aan de consument geven. VEWIN eist evenwel dat deze paragrafen integraal van het web worden verwijderd.

Feiten en beoordelingen

De raadsman van HWS, Mr G. Kemper, wees op het verschil tussen feiten en beoordelingen. Wanneer het om opinies gaat is bewijsvoering niet aan de orde. En degene die een opinie uit komt pas in de gevarenzone wanneer het waardeoordeel geen relatie meer heeft met de feiten.

Door Kemper werd verder betoogd dat het Europees Verdrag van de Rechten van de Mens (EVRM) een eventuele beperking van de vrijheid van meningsuiting ook moet toetsen aan het criterium ‘necessary in a democratic society’. Onwelgevallige uitingen vormen – mits deze gestoeld zijn op correcte feiten – de kern van de democratische samenleving omdat aldus het publieke debat wordt gestimuleerd.

Openheid en transparantie

Met de publicatie van haar website volgt HWS de trend naar volstrekte openheid over stoffen in de voedselketen. Niet alleen houdt HWS zich vrijwel letterlijk aan de wettelijke bepalingen voor openbaarmaking van de Amerikaanse drinkwaterwet (die gebaseerd is op de ‘Civil Right to Know Act’) maar ook aan het door de Ministerraad vastgestelde nieuwe stoffenbeleid van het Ministerie van VROM (‘SOMS’: ‘Strategisch Omgaan Met Stoffen’). Het Witboek over Voedselveiligheid van de Europese Unie stelt dat de consument met volledige kennis van zaken zijn levensmiddelen moeten kiezen. In het voorstel van de Consumentenbond ‘Wet voor de Openbaarheid van Productie en Ketens’ wordt zelfs gesteld dat het ‘voortschrijdend wetenschappelijk inzicht’ naar de consument moet worden gecommuniceerd.

Ontstaan van waterleidingbedrijven in Nederland

Voorts werd door HWS een van de peilers van de eis van VEWIN onderuit gehaald. VEWIN stelt dat het recht van vrije meningsuiting HWS niet toekomt, althans beperkt wordt, omdat zij uitsluitend uit zou zijn op een financieel belang. Uit een recent artikel van waarnemend directeur van VEWIN, Berkhuizen, blijkt dat er begin 1900 60 waterleiding bedrijven bestonden waarvan er meer dan de helft (39) in particuliere handen waren. Omdat de overheid in begin 1800 geen stappen ondernam is het aan het particulier initiatief van de schrijver Jacob van Lennep met een aantal industriëlen (met financieel belang) te danken dat in 1850 in Amsterdam het eerste Nederlandse waterleidingbedrijf is gevestigd. Al sedert 1993 dringt de directeur van HWS er bij de overheid en drinkwaterbedrijven op aan om initiatief te nemen tot (al dan niet gezamenlijk) onderzoek naar en ontwikkelen van alternatieve drinkwaterdistributiesystemen.

Achterhouden van informatie

Wordt er door drinkwaterbedrijven informatie achtergehouden? HWS legt stukken over waaruit blijkt dat drinkwaterbedrijven vanaf oktober 2002 tot op heden (meer dan 11 maanden) ondanks uitdrukkelijk verzoek weigeren om de rapporten over te leggen, welke zij ieder jaar aan de Inspectie moeten zenden.

Nog ernstiger lijkt het dat - zoals ook uit Kamervragen van Boris van der Ham (D66) blijkt - informatie uit het rapport van PWN Waterleidingbedrijf Noord- Holland over 2001 wordt ‘opgeschoond’ en uit het door VROM/ RIVM opgestelde rapport dat ter controle aan de Tweede Kamer wordt aangeboden, blijkt te zijn verwijderd. Het betreft hier totaal 39 normoverschrijdingen van stoffen die schade aan de volksgezondheid opleveren of kunnen opleveren (waaronder chloroform).

Onafhankelijk onderzoek

Gezien het ‘gat’ dat bestaat tussen de informatie van PWN zelf en de berichtgeving welke aan de leden van de Tweede Kamer over resultaten in dezelfde periode wordt verstrekt, is HWS van mening dat door een onafhankelijke organisatie moet worden vastgesteld of hier informatie aan de Tweede Kamer wordt onthouden.

Tevens moet door zo’n onafhankelijk organisatie worden vastgesteld of PWN en de andere waterleidingbedrijven in de afgelopen 3 jaar hebben voldaan aan hun krachtens de wet opgelegde plicht. Die plicht is het leveren van water aan de consument dat geen stoffen bevat die schadelijk zijn of kunnen zijn voor de volksgezondheid.

Angst

Mr Kemper wijst erop dat in Amerika, waar ca 240 miljoen consumenten jaarlijks informatie krijgen over drinkwater – wat zit er in, waar komt het vandaan en wat zijn de mogelijke gezondheidseffecten - op dezelfde wijze als HWS (die de Amerikaanse regels vrijwel letterlijk heeft gevolgd, geen sprake is van angst. Dit geeft te denken over de motieven die VEWIN heeft bij het hanteren van dit verwijt.

Conclusie

HWS zegt niet dat het leidingwater in Nederland onveilig is doch volgt letterlijk de conclusies van de Vereniging van Rivierwaterbedrijven (RIWA). Deze stelt dat een relatief groot aantal prioritaire stoffen ‘de huidige zuiveringssystemen kunnen passeren’ en zich derhalve in het leidingwater bevinden, dat deze ‘als ongewenst moeten worden beschouwd’ en dat ‘een juiste inschatting van de gezondheidskundige risico’s voor de drinkwaterconsument’ op basis van de huidige inzichten nog niet duidelijk te geven is.

De bovenstaande feiten zijn de reden geweest voor initiatief van HWS tot het openen van een website met feitelijke informatie over drinkwater, dit met motivering en onderbouwing van haar visie. Naar de mening van HWS dient de overheid op grond van haar wettelijke plicht een voorziening te treffen voor consumenten die overwegende bezwaren hebben tegen de aanwezigheid van stoffen in het leidingwater welke schadelijk zijn of kunnen zijn voor de gezondheid (zoals bijvoorbeeld chloroform).

HWS meent dat, nu de overheid zelf geen stappen voor zo’n voorziening onderneemt, een eigen initiatief geoorloofd en zelfs gewenst cq geboden is.

Datum uitspraak: 13 october 2003

Voor de tekst van de pleitnota van Mr G.J. Kemper zie www.zero-water.com

Informatie: HWS tel 070 338 7047

Vlaamse waterkwaliteit verbetert niet meer sinds 2003                  29/09/2005
De waterkwaliteit in Vlaanderen verbetert er sinds 2003 niet meer op. Dat blijkt uit het jaarverslag waterkwaliteit 2004 van de Vlaamse Milieumaatschappij (VMM). De maatschappij vraagt, "na jaren van investeringen in nieuwe riolen, collectoren en zuiveringsinstallaties", aandacht voor optimalisatie. De screening van een derde van de bestaande rioleringen en collectoren toont al 4.300 knelpunten.

"Algemeen beschouwd kampen de Vlaamse waterlopen met een te laag zuurstofgehalte en te hoge concentraties aan nitraten, pesticiden en andere waterverontreinigende stoffen", luidt het bij de VMM. Zo voldeed in 2004 maar dertig procent van de meetplaatsen aan de norm voor zuurstofconcentratie. "Zuurstof is nochtans belangrijk voor het leven in het water en speelt een grote rol in het zelfzuiverende vermogen van de waterloop", aldus VMM.

Ook de nitraatconcentraties blijven zorgen baren. Het percentage van de meetpunten dat de nitraatnorm respecteert, zakte in 2004 terug naar 67,5 procent. in 2002 en 2003 was dit 75 procent. "Dit is merkwaardig, omdat er in 2004 heel wat riolen en zuiveringsinstallaties bijgekomen zijn, de veestapel aanzienlijk afgebouwd is en steeds meer zuiveringsstations uitgerust zijn met een nutriëntverwijdering", aldus de VMM. Van de MAP-meetpunten heeft in de winter van 2004 41 procent minstens een keer de nitraatdrempel overschreden. "Vooral de bekkens aan de IJzer en de Leie zijn problematisch", stelt de VMM.

De VMM noteerde in 2004 ook 199 incidenten. Dat zijn abnormaliteiten die aanleiding kunnen geven tot het niet halen van normen en verplichtingen. Van de gemelde incidenten hadden er 102 "een belangrijke negatieve impact" op het milieu. De Vlaamse Milieumaatschappij vraagt nu aandacht voor de optimalisering van de bestaande infrastructuur. Zo is de aanvoer van afvalwater naar zuiveringsstations soms problematisch, omdat het afvalwater te sterk verdund wordt met "niet-verontreinigd grond-, oppervlakte- en hemelwater". Bovendien kan een deel van het rioleringswater ongezuiverd in de waterlopen overlopen wanneer de riolen overbelast zijn.

De VMM is daarom begonnen aan een knelpuntendatabank. "Een derde van het gemeentelijk rioleringsnetwerk en het gewestelijk collecteringsstelsel werd al gescreend. Daarbij werden niet minder dan 4.300 knelpunten geregistreerd", luidt het bij de VMM. "In 41 procent van de probleemsituaties gaat het om aangesloten grachten". De maatschappij toont zich in haar jaarverslag tevreden over de politieke inspanningen.

"Minister Peeters heeft oog voor de aangehaalde problemen", luidt het. "Hij heeft verschillende acties ondernomen om de geblokkeerde dossiers vooruit te helpen en liet een eerste optimaliseringsprogramma goedkeuren, met 57 projecten voor 47,4 miljoen euro." Het investeringsbudget voor gemeentelijke rioleringen en kleinschalige zuiveringsinstallaties verdubbelde volgens de VMM ook ten aanzien van de voorgaande jaren.

Bron: Belga

Abstract Nederlands

Het RIVM heeft in het jaar 2002 een meetprogramma geneesmiddelen in drinkwater en drinkwaterbronnen uitgevoerd. De aanleiding hiervoor was het toenemend aantal publicaties waarin melding werd gemaakt van het voorkomen van geneesmiddelen in drinkwater en drinkwaterbronnen. Het doel van het onderzoek was een inventarisatie van een selectie van humane geneesmiddelen in drinkwater en drinkwaterbronnen. Het meetprogramma omvatte 13 stoffen uit verschillende categorieen geneesmiddelen (antibiotica, pijnstillers, fibraten, B-blokkers en anti-epileptica). In totaal zijn er 21 drinkwaterproductielocaties bemonsterd, inclusief de ruwwaterbronnen en enkele zuiveringsstappen. Het bemonsteringsprogramma is tweemaal uitgevoerd in het voor- en najaar. Het RIVM-onderzoek toont aan dat geneesmiddelen incidenteel in zeer lage concentraties (tot enkele tientallen nanogrammen) aanwezig zijn in drinkwater. De concentraties liggen een factor 1000 lager dan de afgeleide (voorlopige) drinkwaterlimieten. Hieruit volgt dat het risico voor de consument op basis van dit onderzoek en de beschikbare toxicologische informatie verwaarloosbaar is. Het betreft de stoffen (acetyl)salicylzuur (pijnstiller), carbamazepine (anti-epilepticum), clofibrinezuur (hart- en vaatmiddel) en sulphamethoxazol (antibioticum). De zuiveringstappen ozonisatie en actief koolfiltratie lijken op basis van dit onderzoek een beter resultaat op te leveren bij de verwijdering van de onderzochte geneesmiddelen dan de combinatie chloor en actief koolfiltratie. In het effluent van de rioolwaterzuivering (een monster) zijn negen stoffen aangetroffen in tientallen tot honderden nanogrammen per liter. De VROM-Inspectie wordt aanbevolen resultaten van de meetprogramma's geneesmiddelen in het milieu onder de aandacht te brengen van de stakeholders in de gezondheidszorg (College ter Beoordeling van Geneesmiddelen; Ministerie VWS). Indien er overwogen wordt normen voor geneesmiddelen in drinkwater op te stellen kan er worden gekozen voor normen per individuele stof gebaseerd op toxicologische gegevens of voor het voorzorgsprincipe. Aanbevolen wordt geneesmiddelen als groep onder het voorzorgsprincipe te brengen. De stoffen horen niet in drinkwater thuis. Voorgesteld wordt om in de meetprogramma's voor kwaliteitsbewaking van de drinkwaterinnamepunten de stoffen die in de drinkwaterbronnen zijn aangetroffen op te nemen.

Bron: Geneesmiddelen in drinkwater en drinkwaterbronnen

RIVM rapport 703719004

Home